Polen is een van de weinige Europese landen waar zo’n grote verscheidenheid aan ongerepte landschappen en natuurgebieden te vinden is. De meest waardevolle gebieden worden beschermd in 23 nationale parken, samen goed voor 300.000 hectare. Dankzij professionele gidsen en gespecialiseerde touroperators kunnen bezoekers deze parken op een verantwoorde manier ontdekken.
Alle nationale parken staan onder strikte natuurbescherming en de meeste maken deel uit van het Europees Ecologisch Netwerk en Natura 2000. In 1979 werd het Nationaal Park Białowieża – het laatste Europese oerbos – door UNESCO toegevoegd aan de Werelderfgoedlijst. Daarnaast kregen acht andere parken de status van biosfeerreservaat. Białowieża (opgericht in 1932) behoort samen met het Nationaal Park Pieniny tot de oudste nationale parken van Polen en Europa.
De Poolse fauna omvat ongeveer 36.000 diersoorten, waaronder de grootste zoogdieren van Europa: beren, elanden en wisenten. Gemzen bewegen zich in de Tatra’s met indrukwekkende behendigheid over de rotsen, terwijl het scherpe gefluit van marmotten af en toe de stilte in het hooggebergte doorbreekt. In de herfst galmt in de bossen het bronstig gebrul van herten, en ’s winters klinkt het gehuil van wolven.
Witte adelaars zweven statig in de lucht op zoek naar prooi; in moerassen en wateren jagen kraanvogels en reigers. ’s Zomers kleuren vlinders in alle tinten de weiden. Vooral in het Nationaal Park Pieniny, waar meer dan de helft van alle Poolse vlindersoorten voorkomt. De grote biodiversiteit komt ook terug in de symboliek van de nationale parken: 19 van de 23 parken hebben een kenmerkend dier als logo.




